Menu

Blue News

U bent hier

TOELICHTING - Wordt de wettige verdediging straks uitgebreid tot de verdediging van goederen?

TOELICHTING - Wordt de wettige verdediging straks uitgebreid tot de verdediging van goederen?

Op 5 september 2018 hebben Mw. Veerle Wouters en Dhr. Hendrik Vuye een wetsvoorstel (zie onder) ingediend tot aanvulling van de regels inzake wettige verdediging of noodweer. Personen die zich verdedigen wanneer hun goederen worden bedreigd, zelfs wanneer de feitelijke omstandigheden bedreigend zijn voor personen, kunnen zich vandaag niet beroepen op de wettige verdediging.  Vaak worden zij – en niet de daders – aangehouden en voor het gerecht gebracht. Immers, in België geldt de wettige verdediging uitsluitend in geval van geweld tegen personen. In al onze buurlanden is er ook sprake van wettige verdediging wanneer goederen worden verdedigd in omstandigheden die voor de mens bedreigend zijn. Dit wetsvoorstel wil bijgevolg de huidige wettige verdediging uitbreiden tot goederen.

De wettige verdediging vandaag

Artikelen 416 en 417 van het Strafwetboek stellen noodweer of wettige verdediging in als rechtvaardigingsgrond:

Artikel 416 van het Strafwetboek bepaalt: “Er is noch misdaad, noch wanbedrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf of van een ander”.

Er kan dus maar sprake zijn van wettige verdediging wanneer volgende voorwaarden vervuld zijn:

— de aanranding gebeurt wederrechtelijk;

— het moet gaan om de verdediging van zichzelf of van een ander;

— de verdediging moet beantwoorden aan een ogenblikkelijke noodzakelijkheid;

— er moet evenredigheid zijn tussen aanval en verweer.

Artikel 417 van het Strafwetboek bevat wettelijke vermoedens van noodweer.

Er is ogenblikkelijke noodzaak van verdediging “bij nacht, van de beklimming of de braak van de afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of de aanhorigheden ervan, behalve wanneer blijkt dat de dader niet kon geloven aan een aanranding van personen, hetzij als rechtstreeks doel van hem die poogt in te klimmen of in te breken, hetzij als gevolg van de weerstand welke diens voornemen mocht ontmoeten” (art. 417, tweede lid, Sw).

Er is ook ogenblikkelijke noodzaak van verdediging “wanneer het feit plaatsheeft bij het zich verdedigen tegen de daders van diefstal of plundering die met geweld tegen personen wordt gepleegd” (art. 417, derde lid, Sw).

Zowel artikel 416 als artikel 417, derde lid, Sw veronderstellen geweld tegen personen. Artikel 416 dekt geen noodweer ter verdediging van goederen[1]

Artikel 417, derde lid, Sw veronderstelt minstens het samengaan van een aanslag op personen en goederen[2].
 

Quid andere landen?

In andere landen is het criterium vaak ruimer. Zo stellen de professoren Traest en Vander Beken: “In de Nederlandse strafwet wordt ook de bescherming van een “goed” door noodweer aanvaard. Het goed wordt daarbij begrepen in de zin van gelijkgesteld met wat civielrechtelijk gezien met het begrip zaak wordt aangeduid, bijvb.  het voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke object.

In Duitsland mag zo goed als elk individueel rechtsgoed worden beschermd door een beroep op de noodweer. De rechtsgoederen die door noodweer mogen worden beschermd zijn in Frankrijk zichzelf of anderen en goederen (waarbij de voorwaarden voor de bescherming van goederen iets strenger zijn).”[3]
 

Quid artikel 2 EVRM?

Bij de uitbreiding van de wettige verdediging moet ook artikel 2 EVRM in rekening worden gebracht. Deze verdragsbepaling beschermt het recht op leven. De beroving van het leven wordt echter niet in strijd geacht met artikel 2 “ingeval zij het gevolg is van geweld dat absoluut noodzakelijk is ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld”. De meerderheid van de Europese rechtsleer acht de loutere verdediging van goederen niet mogelijk in het kader van de noodweeruitzondering van artikel 2 EVRM.[4]

Misdrijven gericht tegen goederen kunnen echter zeer bedreigend zijn voor personen, zonder dat er sprake is van geweld tegen personen. Zo zijn ramkraken of overvallen bedreigend zelfs indien er geen geweld tegen personen wordt gebruikt. Art. 417, tweede lid, Sw erkent dit ingeval het gaat over het afweren bij nacht van beklimmingen of braak door het instellen van een vermoeden van ogenblikkelijke noodzaak van wettige verdediging.

Personen die zich verdedigen wanneer hun goederen worden bedreigd, zelfs wanneer de feitelijke omstandigheden bedreigend zijn voor personen, kunnen zich in de huidige stand van het recht moeilijk verweren. Vaak worden zij – en niet de daders – aangehouden en moeten ze nadien de mallemolen van justitie ondergaan.

Dit voorstel beoogt dan ook om uitdrukkelijk in de wet in te schrijven dat er ook sprake is van wettige zelfverdediging wanneer het gaat over de verdediging van goederen in omstandigheden die voor de mens bedreigend zijn. De rechter oordeelt soeverein of de begeleidende omstandigheden van het misdrijf tegen goederen als bedreigend worden ervaren. De verdediging moet, net als voor artikel 416, beantwoorden aan een ogenblikkelijke noodzakelijkheid en er moet evenredigheid zijn tussen aanval en verweer.

[1] Cass. 28 juni 1938, Pasicrisie, 1938, I, 232, Arresten van het Hof van Cassatie, 1938, 144: “Overwegende dat artikel 416 van het Strafwetboek enkel de wettige verdediging van de persoon beoogt; dat het zich niet uitbreidt tot die van zaken of rechten betreffende de zaken”

[2] Cass. 3 maart 1941, Pasicrisie, 1941, 61, Arresten van het Hof van Cassatie, 1941, 43

[3] (Philip TRAEST, Tom VANDER BEKEN, Bjorn KETELS en Laurence DE RUDDER, Wettige zelfverdediging in België en in de buurlanden, Onderzoek in opdracht van het ministerie van Justitie, 2010, 63, beschikbaar op: https://biblio.ugent.be/publication/1028202/file/1093668.pdf).

[4] M. VAN DE VELDE, Wettige zelfverdediging: nood aan uitbreiding van de toepassingssfeer?, 2011, 25, beschikbaar op: https://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/787/027/RUG01 001787027_2012_0001_AC.pdf).